DeHypothekenMakelaar.nl
Financieel maatwerk van Annu´teit tot Zero-bond en VerbijsterendAdvies voor uw verzekering van Auto tot Zeilboot.

 

Besluit beslagvrije voet woningeigenaar

 

Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is een nieuwe regeling van de beslagvrije voet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: de wet) geïntroduceerd. Hiermee wordt een betere bescherming van de beslagvrije voet beoogd.1 De kern van de wet is de gewijzigde berekeningswijze van de beslagvrije voet, waardoor het vaststellen van de beslagvrije voet minder afhankelijk wordt van informatieverstrekking door de schuldenaar. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 5 Eigen woning

Artikel 475da, zevende lid, van de wet biedt de mogelijkheid dat de schuldenaar om ophoging van zijn beslagvrije voet kan vragen als hij zijn woonhuis in eigendom heeft en over een inkomen beschikt op basis waarvan hij in een huursituatie aanspraak zou kunnen maken op huurtoeslag. Nu de op basis van de formule berekende beslagvrije voet er vanuit gaat dat de schuldenaar huurtoeslag ontvangt, beoogt de beschreven ophoging de woningeigenaar in een vergelijkbare positie te brengen.

In het eerste lid wordt vergelijkbaar met de berekening van de huurtoeslag het deel van de huur bepaald dat voor ophoging in aanmerking kan komen. Vervolgens wordt hiervan – op basis van het tweede lid – de geldende normhuur afgetrokken, waarbij een minimum bedrag van (norm 2019) € 211,68 wordt aangehouden. Dit laatste houdt verband met het feit dat binnen de berekening van de huurtoeslag, huren lager dan de normhuur bij het zogenaamde minimum-inkomensijkpunt, niet worden gecompenseerd.

Het gaat ten opzichte van de daadwerkelijke huurtoeslagberekening om een vereenvoudigde berekening, waarbij bepaalde aspecten die binnen een huurtoeslag berekening wel een rol spelen (specifieke grenzen bij meerpersoonshuishoudens en bijvoorbeeld voor gehandicapten aangepaste woningen) uit vereenvoudigingsoptiek niet zijn meegenomen.

Om de ophoging te kunnen berekenen dient de schuldenaar de deurwaarder inzicht te geven in de aan zijn eigen woning verbonden woonkosten (conform de in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (artikel 475ab) opgenomen definitie: de door de schuldenaar maandelijks verschuldigde hypotheekrente, erfpacht en, tot ten hoogste 0,057% van de WOZ-waarde, de maandelijkse overige kosten). Hij dient deze informatie te voegen bij zijn verzoek tot toepassing van deze ophoging. In de mededeling op basis van artikel 475i, tweede lid, van de wet wordt de schuldenaar er op gewezen dat hij om een verhoging van de beslagvrije voet kan vragen en welke gegevens hij ter onderbouwing van het verzoek aan de deurwaarder moet overleggen.

 

 

Bron: Rijksoverheid 13022019



Laatste update: 14/02/2019 11:42.58