DeHypothekenMakelaar.nl
Financieel maatwerk van Annu´teit tot Zero-bond en VerbijsterendAdvies voor uw verzekering van Auto tot Zeilboot.

rentevoordeel personeelsleningen gewijzigd 2016

 

Sommige werkgevers bieden aan hun werknemers personeelsleningen als secundaire arbeidsvoorwaarde. Het voordeel van dergelijke personeelsleningen is meestal een lagere rente dan marktconforme rentes. Wanneer een personeelslening wordt gebruikt als lening ten behoeve van de eigen woning, kan dit tot een aantrekkelijk financieel voordeel leiden.

Het rentevoordeel wordt tot en met 2015 nog op nihil gewaardeerd voor de loon- en inkomstenbelasting. Vanaf 2016 verandert dat.

Op 24 november 2015 heeft de Eerste Kamer de Fiscale Verzamelwet 2015 aangenomen. Daarin is onder meer geregeld dat het rentevoordeel op personeelsleningen niet meer op nihil wordt gewaardeerd. Dat wil zeggen dat het rentevoordeel vanaf 2016, via de Wet op de Loonbelasting, als loon wordt belast. Aan de andere kant betekent dit ook, dat iemand die een personeelslening gebruikt als eigenwoningschuld, de volledige rente inclusief die rentekorting mag aftrekken van de inkomstenbelasting. Veel belastingplichtigen merken daardoor niets van de afschaffing van de nihilwaardering.

Reden afschaffing nihilwaardering
De afschaffing van de nihilwaardering heeft te maken met de afbouw van het hoogste tarief waarover rente op eigenwoningschulden kan worden afgetrokken. Iemand die in de vierde (hoogste) tariefschijf komt met zijn inkomen, moet 52% inkomstenbelasting betalen over de top van dit inkomen, maar kan in 2016 de rente slechts tegen 50,5% aftrekken. Dit percentage wordt jaarlijks met 0,5% verlaagd tot 38% in 2041.

Door de nihilwaardering af te schaffen, gebeurt het volgende: de belastingplichtige wiens inkomen in de hoogste tariefschijf valt, moet 52% belasting betalen over het rentevoordeel, maar krijgt hiervan (in 2016) slechts 50,5% terug via de inkomstenbelasting. De overheid kiest hiervoor, omdat werknemers met een personeelslening anders een dubbel voordeel zouden hebben: een lagere rente, en ook een lagere beperking van de renteaftrek dan mensen zonder deze personeelsleningen.

Voorbeeld

De werkgever van Johan biedt personeelsleningen aan tegen een rente die 1% lager ligt dan de rente die de markt hiervoor zou rekenen. De markt zou 3% hebben gerekend en Johan betaalt slechts 2%.

Johan (bruto salaris € 90.000) maakte gebruik van deze mogelijkheid en sloot in 2009 een personeelslening af van € 300.000. Hiermee schafte hij een eigen woning aan. De hele lening kwalificeert daardoor als een aflossingsvrije eigenwoningschuld.

2015

In 2015 was zijn rentevoordeel 1% van € 300.000 = € 3.000. Dit wordt fiscaal op nihil gewaardeerd. De € 6.000 (2%) die hij wel betaalt, is voor hem aftrekbaar als rente over de eigenwoningschuld. Dit bedrag is aftrekbaar tegen 51% (in 2015). Daar tegenover staat een bijtelling van het eigenwoningforfait die belast wordt tegen 52%.

2016

Vanaf 2016 verandert dit. Het rentevoordeel van € 3.000 (1%) wordt ook belast tegen 52%. Zijn belastbaar loon neemt met € 3.000 toe. Johan mag dan wel, voor de inkomstenbelasting, net doen alsof hij ook de marktrente betaalt. Aftrekbaar is dus 3% x € 300.000 = € 9.000 (2016: 50,5%).

Het nadeel van Johan is daarmee 1% x 1,5% x € 300.000 = € 45 in 2016. Dit nadeel loopt op, omdat het verschil tussen het hoogste tarief (52%) en het tarief waarover hij maximaal kan aftrekken (50,5% in 2016), jaarlijks groter wordt. Het nadeel stijgt elk jaar met € 15 (1% x 0,5% x € 300.000). Als de omstandigheden van Johan in 2041 onveranderd zijn, bedraagt het verschil € 420 (1% x (52% -/- 38%) x € 300.000).

Gevolgen bij variabele rente
De werkgever moet bij het inhouden van de Loonbelasting rekening houden met het rentevoordeel op de personeelsleningen. Soms is dit voor de werkgever niet direct mogelijk, omdat het een variabele rente is, waardoor het exacte rentevoordeel nog niet over het hele jaar vastligt. In dat geval mag de werkgever een redelijke schatting maken van het rentevoordeel gedurende het kalenderjaar, maar moet hij in het laatste loontijdvak een eindafrekening maken.

Gevolgen voor gepensioneerden
Het kan ook zijn dat iemand gepensioneerd is, maar hij nog steeds de voordelen van een personeelslening heeft. In dat geval mag de gepensioneerde bij de pensioenuitvoerder het verzoek indienen loonbelasting in te houden over dit rentevoordeel. De pensioenuitvoerder hoeft hier overigens niet aan mee te werken, waardoor de gepensioneerde dan zelf bij zijn belastingaangifte alsnog zal moeten afrekenen over dit rentevoordeel.

Gevolgen voor uitkeringen
Tot slot heeft afschaffing van deze nihilwaardering ook gevolgen voor belastingplichtigen die niet in de hoogste tariefschijf vallen. Door het hogere ‘loon’, neemt ook het loon toe dat als uitgangspunt wordt genomen voor berekening van uitkeringen (zoals de WW of WIA). Over het rentevoordeel moeten ook premies werknemersverzekeringen worden ingehouden. Een werknemer die ontslagen wordt, krijgt dan ook een hogere uitkering vanaf 2016, voor zover hij niet boven de maximale dagloongrens zit.

Bron: WFTnu 02122015

DeHypothekenMakelaar.nl



Laatste update: 02/12/2015 10:18.33